2.1.2.1.1 Reflectiesoorten

De aard of het karakter van het onderwerp waarop men reflecteert, bepaalt doorgaans de soort reflectie die men hanteert.

Hoe doe ik dat?

  1. U bent zich bewust van een specifieke waarneming, een betekenis en/of een gedragskenmerk van zichzelf en bent in staat deze nieuwe ervaring en waarneming te verbaliseren om er iets van te leren. U doet aan bewustwording
  2. U stelt de effectiviteit van uw waarnemingen, gedachten, handelingen en gewoonten over een specifieke situatie vast en kunt daarbij de oorzaken ervan vaststellen. U bent in staat tot discriminatoire reflectie. U kijkt verder dan de oppervlakte, u onderzoekt uitgangspunten en neemt ideeën van anderen niet klakkeloos over. U bent kritisch
  3. U ben zich bewust van uw gevoelens omtrent uw manieren van waarnemen, denken, handelen en gewoontes in relatie tot een specifieke situatie. U reflecteert affectief
  4. U vormt waardeoordelen omtrent uw waarnemingen, gedachten, handelingen, gewoonten in termen van gewenst of ongewenst, positief of negatief. U doet aan oordeelsvorming
  5. U bent zich bewust van de adequaatheid van de concepten die u hanteert, u reflecteert conceptueel
  6. U realiseert zich dat u oordelen vormt, alsmede de aad daarvan, over anderen op basis van geringe informatie over die personen. U reflecteert psychologisch
  7. U realiseert zich dat een routine of een gewoonte misschien niet de meest geschikte benadering voor een bepaalde situatie is. U reflecteert theoretisch.
Meer weten? Zie Functionaliteit